Wil je naar Rome fietsen, dan kom je via Google steevast twee namen tegen: Paul Benjaminse en Hans Reitsma. Beiden hebben een prachtige, eigen fietsroute uitgebracht van Nederland naar Rome. Keurige routeboekjes met mooie beschrijvingen.

Nou snappen ze beiden dat er te weinig langeafstandfietsers zijn om twee gidsen rendabel in de markt te zetten. En allebei vinden ze stiekem dat de ander hem na-aapt. Dus Benjaminse wordt tamelijk moe van Reitsma en Reitsma vindt het wel een beetje gezegend met die hele Benjaminse. Het is aandoenlijk trammelant in wereldfietserland.

De tocht van Reitsma is mooi maar heeft een nadeel: hij gaat de Alpen over via een ouwewijvenheuveltje. Ja kom zeg. Mooi niet dat ik helemaal naar Rome ging fietsen om via een veredelde verkeersdrempel over de Alpen te komen! Die andere routeschrijver had tenminste een route met borsthaar. Eentje die die je onder meer leidde langs Luxemburg en door de Elzas. Die via de Bodensee de Rijn stroomopwaarts volgt, langs Liechtenstein, naar die ene grote pas over de Alpen: de Splügenpas. 2115 meter hoog, tot de nok toe gevuld met haarspeldbochten en een van de mooiste passen die je als fietser schijnt te kunnen berijden. Dus de keuze was gemaakt: ik ging met de route van Benjaminse naar Rome.

Rampdag at the Rheinfall


Op weg naar de Bodensee wordt ik tijdens een klein klimmetje bijgehaald door een mountainbiker. Een vent van een jaar of 45, die me geïnteresseerd het hemd van het lijf begint te vragen. Waar kom ik vandaan, waar ga ik heen, waar ben ik net geweest? Ik leg hem in mijn beste Duits uit – en mijn beste Duits is niet best – dat ik naar Rome aan het fietsen ben, en dat ik die dag wilde eindigen in de buurt van St. Gallen. De volgende dag naar Thusis en dan de dag erop de Splügenpas over, net voordat de eerste winterdag zou aantreden.

De fietser heet Manuel en kijkt me bevreemd aan. St. Gallen? En de Rheinfall dan? Ik heb geen idee waar hij het over heeft maar Manuel legt me uit dat het een enorme waterval is in de Rijn bij Schaffhausen. Ik fronste. Een waterval? In de Rijn? Onze Rijn? Die grote? En daar een enorme waterval in? Ik begon nieuwsgierig te worden en Manuel bleef me overhalen.

Hij leek me okee en ik dacht, ach wat, het is iets van 30 kilometer om, dat overleef ik wel. En eerlijk is eerlijk, Manuel had niks te weinig gezegd: het was een waterval en niet zo’n kleintje ook. Over de volle breedte van de rivier bulderde het water met donderend geraas naar beneden.

Rheinfall bij Schaffhausen

Zwaartekracht


Wat bij de Rheinfall helaas ook naar beneden stortte, was mijn telefoon. Ik had hem niet goed in de borstzak van mijn jas gestopt en prompt kletterde het ding op straat. Scherm stuk. Hij ging nog wel aan, ik hoorde nog geluidjes, maar geen beeld.

Crap, dacht ik. Los van m’n telefoon, wat een dure reparatie zou worden of een nieuwe telefoon, kwam mijn schema meteen in de knel. Vrijdag, over twee dagen, zou het weer omslaan, met temperaturen rond het vriespunt aan de voet van de pas een een hoop sneeuw en ijzel. Maar ik kon ook niet zonder telefoon fietsen. Noodgedwongen reed ik het centrum van Schaffhausen in op zoek naar een oplossing. Een hoop gedoe en een flinke deuk in mijn portemonnee verder (Zwitserland is peperduur) mocht ik vervogens eerst nog mijn telefoon installeren. En dingen overnemen uit mijn oude telefoon ging moeizaam want – inderdaad – het scherm was kapot.

Ik kwam die dag niet verder dan Stein am Rhein, nog 30 kilometer verwijderd van Bodensee. Tot overmaat van ramp was ook mijn gastankje op. Ik had een brandertje van Celesta geleend, een goede vriendin, en die werkte op tankjes met een schroefdop. Maar die waren in Zwitserland nauwelijks te krijgen.

Ik zag het allemaal niet meer zitten. Het was nog zeker 230 Van hier tot aan de pas was het nog 230 kilometer fietsen. In twee dagen, alleen maar bergop, terwijl ik nog god knows where een gastankje moest zien te vinden, het was een onmogelijke taak. Ik wist dat er een trein ging vanuit Thusis, de Alpen over, dus naar Rome kon ik wel komen. Maar ik leefde al maanden toe naar die Splugenpas meemaken.

Rijnbrug bij Diessenhofen

Kan het dan toch?


De volgende dag zat ik rond een uur of negen op de fiets. Ik zou wel zien waar ik zou eindigen. Celesta had zich mijn lot aangetrokken en was vanuit Nederland op zoek naar mogelijke plekjes voor mijn gastankje. Maar helaas, de winkels die we probeerden hadden geen gastankje met schroefdop. Er was nog 1 optie: een grote outdoorzaak in Chur. En Chur lag op de route.

Ondanks dat ik de avond ervoor niet echt uitgebreid ha gegeten – ik kon immers niet koken – ging het fietsen best aardig. Langs de Bodensee is het, logischerwijs, lekker vlak fietsen. Tegen een uur of 14:00 had ik er 80 kilometer op zitten en liet ik de Bodensee achter mij. Nu fietste ik langs de Rijn naar het zuiden, langs Liechtenstein de bergen in.

Naast een rivier is het ook lekker vlak fietsen en langzaam maar zeker begon er bij mij wat te hoop om de hoek piepen. Zou het wellicht toch kunnen? De pas over voordat het weer omsloeg? Chur was immers op de route dus voor dat gastankje hoefde ik niet ver om te rijden. Ik besloot stevig door te gaan trappen. Het was al in oktober, het werd vroeg donker, maar qua verlichting had ik alles bij me.

Celesta liet weten dat de Outdoorwinkel tot 8 uur open was. Dat moest haalbaar zijn. Ik belde een camping en zij gaven aan dat ik tot 22:00 nog kon inchecken. Dat was te doen. In inderdaad: om half tien reed ik, mét gastankje en boodschappen, de camping op. 180 kilometer in de benen met volle bepakking, maar ik zat vol energie: de Slugenpas zat er alsnog in!

Tegen de tijd dat ik sliep was het na twaalf uur. Ik had in het pikkedonker gekookt, m’n kleren gewassen, m’n tent opgezet en de route voor morgen uitgezocht.

Pap


In mijn oorspronkelijke planning had ik in Thusis willen eindigen op de dag voor de beklimming van de pas. Van daaruit is het nog zo’n 35 kilometer tot de top. Chur is echter nog 25 kilometer verwijderd van Thusis.

De volgende ochtend gaat het eerste stuk tot aan Thusis nog wel. Het is nog relatief vlak. Maar zodra het serieuzer omhoog gaat slaat de vermoeidheid hard toe. Mijn benen zijn van pap vandaag en ik moet mezelf echt omhoog harken. Ik heb al de grootst mogelijke moeite met hellingen van 7 procent. Het gaat met een slakkengangetje en wetende dat het laatste stuk van de pas 9 a 10 procent stijging heeft, begin ik ‘m te knijpen.

Het is zwaar en ik zwoeg en ik ploeter. De Via Mala, de beroemde stenen brug waarmij mijn weg een enorme kloof overbrugt, kan ma nauwelijks oppeppen. Ik pauzeer maar begin steeds meer tegen de klok te vechten. Wat gaat dit langzaam

Aan de voet van de pas


Drie uur later dan gepland sta ik in Splügen, het dorpje aan de voet van de pas. Ik heb maar 50 kilometer in de benen maar m’n lichaam is helemaal op. Ik kijk op mijn horloge.  16:00 uur. In de verte zou de Splügenpas moeten liggen: 650 meter hoger en een kleine 9 kilometer fietsen. Dat zou me nog twee uur kosten, schat ik in. Dat betekent dat ik op zes uur boven zou zijn.

Van daaruit is het nog 30 kilometer afdalen naar Chiavenna. Daarvan zou ik een deel na zonsondergang moeten afleggen. Nou is afdalen is geweldig maar het heeft zijn gevaren. Eén gat in de weg en je velg is geschiedenis. Eén steentje in een bocht en gaat over de vangrail. Afdalen in het donker is dus niet het meest handige wat je als sterveling kunt doen, maar met langzaam rijden kun je de risico’s nog wel beperken.

Verder zou die avond het koufront aankomen. Wind, sneeuw en temperaturen ver onder nul werden voorspeld die nacht. Ik begon ook daar mijn bedenkingen te krijgen. Stel dat mijn fiets panne krijgt, hoog op de berg. Of – afkloppen – stel dat er met mij iets gebeurt. Dan zit ik vast op een berg waar winterweer aankomt waar ik niet op ben gekleed. Waarbij nauwelijks tot geen verkeer zal zijn omdat elke auto verderop de San Bernardinopas neemt. Waarbij ik niet weet of ik een geschikte plek kan vinden voor mijn tent – schuine berghellingen hebben namelijk de irritante eigenschap dat ze schuin zijn.

Dit is jouw droom, kerel


Maar ja… tegelijkertijd is het zo dichtbij. De bergpas waar ik maanden naar toe heb gedroomd. Een paar kilometer en je bent er. Wat kan er nou écht gebeuren? Dit is jouw reis, kerel. Fuck die moeie benen, fuck dat afzien. Morgen een tweede poging is geen optie met het winterweer dat wordt voorspeld. Je bent nu op een steenworp afstand van je doel. Je hebt 1500 kilometer gefietst tot aan dit punt. Laat je het dan op 9 kilometer aankomen? Even reëel. Hoe groot is nou werkelijk de kans dat je panne krijgt? Hoe waarschijnlijk is het nou écht dat je vast komt te zitten? Laat je niet regeren door angst. Follow your dream.

Ik twijfel minutenlang. En dan neem ik een besluit. De kans dat ik vast kom te zitten is zeer klein. Maar als het gebeurt, zijn de gevolgen groot. Het weer is te gevaarlijk en ik kan niet – ik mag niet – mijn leven in de waagschaal zetten om mijn droom na te jagen.

Met tranen in mijn ogen draai ik om. Met een paar laatste blikken op de pas daal ik af naar Thusis.

Trots


Tijdens de afdaling baal ik, maar er komt ook een sort gevoel van trots over mij. Ik heb dan misschien niet de berg overwonnen, maar wel mijn eigen koppigheid. En mijn eigen bewijsdrang. Al te vaak heb ik me daardoor laten voeren op een pad dat uiteindelijk niet de meest verstandige blek. Als ondernemer ben ik wel eens op een berg vast komen te zitten omdat ik per se de top wilde halen. Zeker als ik er al heel veel energie in heb gestoken kan ik mateloos eigenwijs zijn. Dat ik nu over mijn eigen bewijsdrang heen kan stappen, voelt als een overwinning.

Terwijl ik m’n gedachten hierover laat gaan , voor zover dat kan tijdens een afdaling met snelheden boven de 50 kilometer per uur, rij ik lek. Mijn remblokje bleek te zijn verschoven en was finaal door de buitenband heen gesleten. Dat was nog wat geweest, bergop of in het donker. Voor zover ik niet al overtuigd was van mijn beslissing, was ik dat nu.